Psalm 22

Mijn God, mijn God, waarom verlaat u mij?
Waarom komt u die redt, niet dichterbij?
Waarom gaat u aan mijn verdriet voorbij,
aan al mijn vragen?
Mijn God, al schreeuwend vul ik al mijn dagen.
U antwoordt niet, en ook in lange nachten
krijg ik geen rust, geen antwoord op mijn klachten.
Hoort u mij niet?

Toch bent u heilig – dat geloof ik wel.
U troont op liederen van Israël.
Hoor hoe ik mijn vertrouwen op u stel,
op u wil bouwen,
zoals ons voorgeslacht u bleef vertrouwen.
Zij riepen u, waarna u hen kwam leiden.
Erkenden u, waarna u kwam bevrijden.
Help mij ook nu.

Ik voel mij net een worm, ik ben geen man.
Ik word vertrapt door wie maar trappen kan.
Hoofdschuddend maken ze een schouwspel van
mijn godsvertrouwen.
Ik hoor hen zeggen: ‘Kijk hem nu toch bouwen
op God de HEER – laat die hem dan bevrijden.
Als God hem liefheeft, laat hij hem niet lijden!’
Dit doet zo zeer.

Bij mijn geboorte bent u neergedaald,
u hebt mij uit mijn moeders buik gehaald.
En aan haar borst werd ik er bij bepaald
bij u te horen.
U was mijn God voordat ik werd geboren.
Houd u niet stil, mijn leven wordt verduisterd.
Ik ben zo bang, en niemand helpt of luistert!
Hoor mijn gegil.

Ze staan als stieren, leeuwen om mij heen,
snuivend en brullend om mij zometeen
te overvallen – en ik ben alleen!
Ik word steeds zwakker.
Als water dat je in de grond ziet zakken,
of dat je in de hitte ziet verdampen,
zo kwijn ik weg en heb ik nu te kampen
met marteling.

Mijn kracht lijkt wel een potscherf, droog en stuk.
Mijn tong kleeft in mijn mond, door alle druk
U stort mij in verstikkend ongeluk.
U laat me zitten.
Die valse honden tonen hun gebitten,
ze grijpen mij om mij te laten boeten,
doorboren wreed mijn handen en mijn voeten.
Het is voorbij.

Ik kan mijn botten tellen, één voor één.
Ik voel de spot, hoor grappen om mij heen.
En om mijn kleren komt men overeen
het lot te werpen.
Mijn God, ik vraag u om uw blik te scherpen.
Kom uit uw schulp en red mij van die honden.
Leeuwen en stieren willen mij verwonden.
Kom mij te hulp!

U gaf mij antwoord, u keek naar mij om.
Als ik met broers en zussen samenkom,
eer ik uw naam: wij zijn uw eigendom
om u te prijzen!
Kom, Jakobs kinderen, ga hem eer bewijzen.
Hij heeft gezag, maar zal je nooit verachten.
Wie naar hem uitkijkt mag zijn komst verwachten,
met groot ontzag.

Mijn lied, mijn danklied komt bij u vandaan.
Bij wie de HEER erkent, sluit ik mij aan.
Wat ik aan u beloof zal ik voortaan
daar laten weten.
Wie zwaar vernederd is, zal volop eten.
Ja, dat de mens die God de eer zal geven
verzadigd wordt, in eeuwigheid blijft leven!
Dat is mijn wens.

De hele wereld hoort dan van de HEER.
De hele aarde zoekt en vindt hem weer.
En alle volken knielen voor hem neer.
Hij is de koning!
Armen en rijken krijgen hun beloning:
zij prijzen God en zullen met hem eten.
Wie hier gestorven is, en wordt vergeten
vangt daar geen bot.

Het nieuws zal overal te horen zijn.
En wie de Heer is, weet straks groot en klein
en zelfs wie nu nog niet geboren zijn:
hij houdt van daden.

Het is volbracht, de eer is aan de Vader
en aan de Zoon, door wie wij eeuwig leven,
en aan de Geest, die ons geloof wil geven
en in ons woont.


Reageer op deze Psalm

Uw naam (verplicht)

Uw e-mailadres (verplicht)

Onderwerp

Uw bericht


Delen: